Van Dyck in de Sint-Martinuskerk

“Sint-Maarten zijn mantel delend”, een schilderij van Antoon Van Dyck geschilderd in Zaventem in opdracht van baron de Boisschot

Beschrijving 

Als we het schilderij bekijken, zien we hoog en statig de Martinusfiguur op een Brabants paard zitten. Martinus wordt afgebeeld als een jonge kerel met een ernstig gezicht. Hij wendt zijn hoofd naar de twee bedelaars die rechts op de grond zitten.

De mantel, die hem over de schouders hing, heeft de naakte bedelaar reeds voor een gedeelte naar zich toegetrokken en Martinus zal hem met zijn zwaard in tweeën verdelen. De tweede bedelaar is een gebrekkige die op een korte stok steunt. Hij kijkt verwonderd naar de hand van Martinus.

Een van de twee begeleiders van Martinus te paard, ouder en de enige waarvan men het gelaat kan onderscheiden, is verrast door wat er zich naast hem afspeelt.

Nadenkend richt hij de blik naar zijn jonge meester. De tweede begeleider staat op de achtergrond met zijn rug naar Martinus. Hij draagt een helm en verwijdert zich van het gebeuren. Verder zien we nog een Brabantse schimmel. Het dier is ongeduldig en nerveus. De plaats van het gebeuren, een stadspoort te Amiens, wordt gesuggereerd door de architectuur rechts op het paneel.

 

Een meesterwerk van de barok

Het schilderij werd uitgevoerd op een houten paneel bestaande uit zeven planken die bijeen worden gehouden door twee steunbalken in kruisvorm aangebracht.

Het paneel meet 1.60 m bij 1.70 m. Het werk zou zijn ontstaan in 1621 maar sommigen beweren dat het eerder 1629 zou zijn geweest. We kunnen hier spreken over een meesterwerk van de barok. Het grote kenmerk van de barokperiode is de diagonaalcompositie. D.w.z. dat we het schilderij “lezen” van links bovenaan naar rechts onderaan.

Een eerste blik valt inderdaad onmiddellijk op beide armen van de bedelaar onderaan, gaat dan zo langs de schuine lijn van de mantel langs het zwaard om zo de figuur van Sint-Martinus te bereiken. In diezelfde lijn links bovenaan zien we de gezel van Martinus.

Op het schilderij zijn vijf personen afgebeeld. Het centrum van het schilderij en de belangrijkste plek is de plaats waar de mantel doormidden wordt gesneden. Deze plaats is dan ook het kleurcentrum van het werk.

De grote rode vlek van de mantel bewijst dat de schilder daarmee iets wou zeggen: het zet, letterlijk en figuurlijk, het prachtig gebaar van liefdadigheid in de verf.

Laten we nu even de hoofdfiguur bekijken. Martinus is een prachtige ridder en niet een Romeins officier ! Zijn uitrusting bestaat uit een ijzeren borstharnas en een sierlijk hoofddeksel met een zwierige pluim zoals die in de 17 de eeuw gedragen werden. Nemen wij nu het paard onder de loep. Het is geen paard van de Romeinse ruiterij, maar een stevige Brabantse schimmel.

Bestuderen we nu even de twee bedelaars rechts onderaan. De vleeskleur en de gespannen spieren van de eerste bedelaar zijn typische barokelementen. De andere is een kreupele. Dat blijkt uit de lage kruk waarop hij steunt. Hij kijkt verwonderd naar het middelpunt van het paneel, naar de hand van Martinus. De diepblauwe hemel en de wolken verhogen het perspectief en doen onze blik in de verte verdwijnen.

Bron: De gazet van Klik-Klak, editie januari 1999, p.3

Antoon Van Dyck, van wonderknaap tot hofschilder

Antoon Van Dyck werd op 22 maart 1599 te Antwerpen geboren in het huis, genaamd “Den Berendans”, waar zijn grootvader en zijn vader een handel in zijden stoffen dreven. Op driejarige leeftijd maakte hij al tekeningen, die voorboden waren van zijn buitengewoon talent. Op 11-jarige leeftijd ging hij in de leer bij meester Hendrik van Baelen alwaar hij vlug een eigen atelier kon installeren en zijn eigen kost kon verdienen. Op 11 februari 1618, toen van Dyck nog geen 19 jaar oud was, werd hij als meester opgenomen in het Antwerpse St.-Lukasgild. Alhoewel Van Dyck zeer bevriend was met Rubens en hij vaak meewerkte aan diens doeken, is hij nooit een leerling van hem geweest. Hun stijl en techniek van schilderen vertonen soms een zeer grote verwantschap. Wanneer Van Dyck 21 jaar is wordt hij uitgenodigd aan het Engelse Hof. In 1621 vertrekt hij vanuit Antwerpen (...met Zaventem als 1ste halte....) naar Italië op studiereis. Zijn faam moet er wel overdadig groot geweest zijn, want hij schilderde er niet minder dan 72 portretten van leden uit de Italiaanse adel. Rond 1627 keerde hij naar Antwerpen terug om er ononderbroken belangrijke werken te voltooien, tot hij zich in 1632 opnieuw naar Engeland begaf om er zich te vestigen. Karel I van Engeland benoemde Antoon tot eerste hofschilder van Hunne Majesteiten en op 5 juli 1632 werd hij tot ridder geslagen als “Sir Anthony Vandycke”. In 1639 huwde hij te Londen Mary Ruthven, uit een oud adellijk geslacht. Van Dyck werkte in Engeland met een ganse schare helpers, alwaar hij uitsluitend de gelaatstrekken en handen voor zijn rekening nam. Op die manier schilderde hij niet minder dan 350 portretten. De laatste jaren van Van Dycks leven zouden moeilijk en bewogen zijn. Hij leed aan een geheimzinnige ziekte tot hij op 9 december 1641 overleed te Londen. Hij werd er begraven in St.-Paul’s Cathedral. 

Bron: Wheelock, A.K. e.a., Van Dyck, Schilderijen, Antwerpen, Mercatorfonds, 1991